|
Slobodan Milošević
(Слободан
Милошевић) (Požarevac,
20
augustus 1941
— Den
Haag, 11
maart 2006)
was een Servisch politicus
en president
van Servië
en Joegoslavië.
Op beschuldiging van oorlogsmisdaden
zat hij gevangen in Penitentiair
complex Scheveningen waar hij werd berecht door het Joegoslavië-tribunaal.
Opkomst
In 1984
werd Milošević partijleider van Belgrado
om in 1987
partijleider van de deelstaat Servië
te worden. Daarvoor diende hij wel zijn politieke mentor Ivan
Stambolić op een zijspoor te zetten. Deze zou in 2000
ontvoerd worden en spoorloos verdwijnen, waarna pas in 2003
zou blijken dat hij werd vermoord.
Aanvankelijk was Milošević
een tegenstander van het Servische nationalisme. In 1987
bezocht hij Kosovo
nadat leden van de Servische minderheid daar zich beklaagd hadden over
gewelddadig optreden van de politie. Hij riep voor het oog van de
televisiecamera's uit: "Niemand mag jullie slaan!" Velen zien
hierin het begin van de herleving van het nationalisme in Joegoslavië. Het
was in ieder geval de eerste keer dat een voorman van de Joegoslavische
Communistische Partij het opnam voor één bepaalde etnische groep.
Op 28
juni 1989
wist Milošević, tijdens een herdenkingstoespraak van de Slag
op het Merelveld tegen de Turken (1389),
de nationalistische
gevoelens fel aan te wakkeren. Op verscheidene plaatsen waren er
steunbetogingen voor Milošević. Bijna 3 miljoen Serviërs (een derde van
de bevolking) nam eraan deel. Nooit kreeg een Servisch leider zo'n massale
steun. Dat jaar werd hij president van Servië. In 1990
verlieten de Sloveense
en Kroatische
leden van de federale Communistenbond
het Congres, de republiek Joegoslavië
stond op het punt te imploderen.
Oorlog
Slovenië
verwierf zijn onafhankelijkheid relatief gemakkelijk, met weinig
slachtoffers. Milošević had in het homogene Slovenië geen Servische
belangen te verdedigen. Anders was het met Kroatië,
daar leefden een 650.000 Serviërs. Er waren bloedige gevechten in Vukovar
en in de krajina's.
In 1989 hief hij de autonomie van Kosovo op. Kroatië en Slovenië
verklaarden zich in 1991
onafhankelijk. Daarna deed Bosnië-Herzegovina hetzelfde. In Kosovo deden
de (Albanese) separatisten van zich horen.
Hoogtepunt van de
regeerperiode van Milošević was de oorlog met Bosnië-Herzegovina
(1992-95), met een bevolking die bestond uit 40% moslims, 32% Serviërs en
17% Kroaten. President Alija
Izetbegović, een moslim, wilde een onverdeelde onafhankelijkheid van
zijn deelstaat. Maar Milošević en de Kroatische president Tudjman
sloten een geheim akkoord waarbij ze afspraken maakten over de verdeling
van het gebied. De uitvoering van dit plan werd voorkomen door militaire
interventie van westerse troepen. Eind 1995 werd het Verdrag
van Dayton gesloten.
Omdat hij niet meer
herkiesbaar was liet Milošević zich uitroepen tot president van
nieuw-Joegoslavië (1997) en wijzigde hij de grondwet, waarbij hij zich
meer bevoegdheden toe-eigende dan voorheen. Op dat moment begon ook Montenegro
wat tegen te sputteren en in Kosovo laaide het gewapend verzet weer op.
Milošević stuurde troepen om het Kosovaars Bevrijdingsleger (UCK) te
bestrijden. Dit offensief ging gepaard met het middel van "etnische
zuivering" dat in Kroatië en Bosnië al eerder was toegepast. Binnen
een jaar vielen tweeduizend doden en raakte een kwart van de totale
bevolking dakloos. Tienduizenden Albanezen vluchtten. In 1999 vonden in de
omgeving van Parijs vredesonderhandelingen plaats, die resulteerden in het vredesverdrag
van Rambouillet. Dit verdrag werd door de Kosovaren ondertekend, maar
Milošević weigerde. De NAVO
zou uiteindelijk, naar eigen zeggen om de burgerbevolking te beschermen,
van maart tot juni 1999 luchtaanvallen uitvoeren tegen Joegoslavië. In die
luchtaanvallen werden ook burgergebouwen (zoals de Joegoslavische TV)
aangevallen, waardoor de NAVO zich schuldig maakte aan (nooit veroordeelde)
oorlogmisdaden. Ook het gebruik van verboden clusterbommen
in de stad Niš
op de marktplaats en nabij een ziekenhuis. En een vluchtelingenconvooi in
nachtelijk Kosovo, het incident met de trein die werd opgeblazen, de
chinese ambassade die werd gebombardeerd, een afzwaaier die in Sofia
terecht kwam. Het lijstje met pijnlijke missers en regelrechte misdaden is
hier op wikipedia al snel langer dan op de site van de NAVO
zelf.
Ondergang
Op 27
mei 1999
werd Milošević door het Internationaal Joegoslavië-tribunaal
(door de toenmalige hoofdaanklaagster Louise
Arbour) in Den Haag aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden en misdaden
tegen de menselijkheid. Milošević capituleerde en Kosovo werd een
internationaal protectoraat.
Milošević schreef
vervroegde parlements- en presidentsverkiezingen uit (24
september 2000).
Deze werden echter afgetekend gewonnen door de Democratische Oppositie van
Servië (DOS). Een misrekening dus, 200.000 betogers eisten in Belgrado de
erkenning van de overwinning van Vojislav
Koštunica (DOS). Op 5 oktober viel uiteindelijk het Milošević-regime,
het parlementsgebouw werd in brand gestoken. Op 7 oktober 2000 legde Koštunica
de eed als nieuwe president af.
Het olie-embargo en
vliegverbod tegen Servië werd opgeheven en het Westen beloofde steun voor
de wederopbouw. De Amerikaanse regering stelde de nieuwe machthebbers een
ultimatum dat op 31 maart 2001 afliep; zij eisten de arrestatie van Milošević
in ruil voor verdere financiële hulp.
Op 1 april 2001 werd hij
in zijn villa in Dedinje, een wijk van Belgrado, gearresteerd. Hij stond
sinds 12 mei
2002 terecht
voor het Joegoslavië-tribunaal
in Den
Haag, wegens verdenking van oorlogsmisdaden.
Privéleven
Slobodan Milošević was
de zoon van Svetozar
en Stanislava Milošević. Zijn vader volgde een orthodoxe
theologische
opleiding,
maar hij werd nooit tot pope
gewijd. Zijn brood verdiende hij als leraar
Russisch
en Servokroatisch
op een middelbare school.In 1962,
toen Slobodan nog studeerde, maakte zijn vader een eind aan zijn leven door
zich een kogel door het hoofd te schieten. Hij had toen al 15 jaar geen
contact meer met zijn kinderen, doordat hij inmiddels gescheiden was. In
1974 pleegde ook Slobodans moeder zelfmoord, door zich op te hangen. Het
was Slobodan die het lichaam van zijn moeder vond.
In 1959
werd Slobodan Milošević lid van de Communistische Partij van Joegoslavië.
Hij studeerde rechten in Belgrado
waar hij in 1964
afstudeerde. Op de Universiteit van Belgrado ontmoette hij Ivan
Stambolić.
Milošević was getrouwd
met Mirjana
Marković die hem vooral ook in politiek opzicht dikwijls terzijde
stond. Met haar kreeg hij twee kinderen, Marko
en Marija.
Overlijden
Milošević is overleden
op zaterdag 11 maart 2006. Rond 10:00 uur werd hij gevonden op zijn bed in
zijn VN-cel
in het Penitentiair complex Scheveningen. Hij was toen al verscheidene uren
overleden. Alhoewel er van uitgegaan werd dat Milošević een natuurlijke
dood stierf, werd zijn dood onderzocht door het Nederlands
Forensisch Instituut, waarbij een patholoog
uit Belgrado aanwezig was. Na dit onderzoek werd geconcludeerd dat de
doodsoorzaak een hartinfarct was. Volgens het Joegoslavië-tribunaal leed
de voormalige president aan een hartkwaal
en had hij last van een hoge
bloeddruk. Hij kreeg hier medicijnen tegen, maar deze hielpen niet. Na
zijn dood werd bekend dat bij een bloedproef op 12 januari in zijn bloed rifampicine
was gevonden; een medicijn tegen lepra
en tuberculose
dat de werking van medicijnen tegen hoge bloeddruk kan neutraliseren.
Het tribunaal had recent
zijn verzoek om naar het Bakunin-instituut in Moskou
te mogen afreizen voor behandeling door een medisch
specialist afgewezen, aangezien men vreesde dat hij niet meer terug zou
keren. Vermoed werd dat Milošević de rifampicine zelf slikte, om
behandeling in Moskou af te dwingen.
Op 14 maart kwam zijn zoon
Marko Milošević naar Nederland om het stoffelijk overschot van zijn vader
op te halen. Hij kreeg hiervoor een visum
van drie dagen. Het lichaam van Milošević werd diezelfde dag van het
Nederlands Forensisch Instituut in Den Haag naar het mortuarium op Schiphol
vervoerd. Ook werd die dag officieel het proces tegen hem gesloten bij het
Joegoslavië-tribunaal.
Op 15 maart vloog Marko
met het lichaam van zijn vader naar Belgrado. Die dag werd bekend dat Milošević
op 18 maart 2006 zou worden begraven in zijn geboorteplaats Požarevac.
Milošević werd op 18 maart 2006 aan het eind van de middag begraven op
het terrein van zijn ouderlijk huis in Požarevac. Zijn vrouw en kinderen
waren hierbij niet aanwezig. Tegen Milošević' vrouw liep een
arrestatiebevel; de dochter boycotte de begrafenis omdat er naar haar zin
teveel een politieke manifestatie van zou zijn gemaakt.
Op 5
april 2006
maakte het Nederlandse Openbaar
Ministerie bekend, dat Milošević een natuurlijke dood was gestorven.
|