|
Vladimir Iljitsj
Oeljanov (Владимир
Ильич
Ульянов) (Simbirsk,
10 april
1870 — Gorki,
21
januari 1924)
beter bekend onder de naam Lenin (Ленин),
was een Russisch
revolutionair, eerste leider (premier) van de Sovjet-Unie
en naamgever van het Leninisme.
De naam "Lenin"
was een van zijn pseudoniemen.
Hij zou deze naam hebben aangenomen als stellingname tegen Georgi
Plechanov, die het pseudoniem Volgin gebruikte, naar de rivier Volga.
Oeljanov koos de rivier Lena
voor zijn pseudoniem, vanwege de parallel die getrokken kan worden tussen
deze rivieren en de politieke meningen van de beide opponenten (de Lena
stroomt tegengesteld aan de Volga en heeft bovendien een grotere lengte).
Er bestaan echter meer theorieën over de oorsprong van het pseudoniem
Lenin, zodat het onzeker is waar het pseudoniem werkelijk vandaan komt.
Biografie
Lenin werd geboren in Simbirsk
in Rusland.
Zijn vader was een aristocraat en overheidsinspecteur van onderwijs. Zijn
moeder stamde uit een van origine Lutherse
grondbezittersfamilie. Lenin werd al op jonge leeftijd
beïnvloed door het socialisme.
Net als zijn broer Aleksandr
Oeljanov, voelde hij zich aangetrokken tot het populisme
van de Narodniki,
de Russische variant van de sociaaldemocratie. Zijn broer Aleksandr werd in
verband gebracht met een moordaanslag op tsaar Alexander
II van Rusland en in 1887
terechtgesteld. Lenin deed kort daarna eindexamen aan het gymnasium.
Ondanks het familiedrama leden zijn prestaties er nauwelijks onder: hij
eindigde als tweede van zijn klas. Lenin was na de dood van zijn broer
politiek betrokken geraakt en werd Marxist.
Lenin bestudeerde de werken van Tsjernysjevski,
Karl
Marx en Plechanov
op het landgoed van zijn grootouders van moederskant. In 1887
werd hij toegelaten tot de Universiteit
van Sint-Petersburg en in 1891
promoveerde hij in de rechten. In 1893
sloot hij zich aan bij een Petersburgse groep marxistische
sociaaldemocraten, later bij de Bond voor de Bevrijding van de Arbeid. In 1895
werd hij gearresteerd en zat hij korte tijd vast, van 1897
tot 1900
leefde hij als balling in Siberië.
Daar trad hij in het huwelijk met Nadezjda
Kroepskaja, evenals Lenin een overtuigd marxiste.
Na hun ballingschap leefde
het echtpaar in ballingschap in Londen, later in Zwitserland.
Op het congres van de Russische
Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in Londen,
in 1903, kwam
het tot een breuk in de partij: Lenin en zijn groep waren overtuigd dat de
RSDAP een revolutionaire voorhoede partij moest blijven, een andere groep
wilde dat de partij een massabeweging werd en via democratische en
parlementaire weg haar doel zou bereiken. Lenin's groep kreeg de naam Bolsjeviki
(meerderheid), de andere groep kreeg de naam Mensjeviki
(minderheid); overigens ontstonden er nog meer vleugels binnen de RSDAP.
Het blad van de Bolsjeviki werd de door Lenin gestichte Vperjod (Voorwaarts).
Na de revolutie van 1905
keerde Lenin naar Rusland terug. Lenin en de Bolsjeviki boycotten de Doema
en riep op tot een proletarische revolutie. Na het ontbinden van de Tweede Doema
door tsaar Nicolaas
II van Rusland in 1907
en de reactie en conservatieven de macht kregen, ging Lenin weer terug naar
Zwitserland.
In 1912 kwam
het tot een volledige breuk met de Mensjeviki en richtte Lenin de Pravda
(De Waarheid) op. Tijdens de Eerste
Wereldoorlog woonde Lenin de links-socialistische congressen van Zimmerwald
en Kienthal
bij. Lenin bepleitte de oprichting van een Derde Internationale. In februari
1917 brak de Februarirevolutie
in Rusland
uit. Tsaar Nicolaas
II deed afstand van de troon en er kwam een Voorlopige
Regering. Volgens de traditioneel marxistische opvatting volgt er pas
jaren na een burgerlijke revolutie een proletarische of socialistische
revolutie. Lenin nam duidelijk afstand van deze theorie, of hij vormde haar
in ieder geval om: Er moest zo spoedig mogelijk een socialistische
revolutie plaatsvinden. Na zijn illegale terugkeer (met behulp van de
Duitse regering) naar Rusland
in april 1917
vestigde Lenin - die door de bevolking luid werd begroet bij zijn terugkeer
uit ballingschap - in Petrograd (Sint-Petersburg).
Oktoberrevolutie
Direct na aankomst toog
Lenin aan het werk en stelde de befaamde April-thesen op (zie: Russische
Revolutie). In de April-thesen riep Lenin op tot de vorming van een
socialistische regering en alle macht aan de sovjets.
De juli-opstand die kort daarop o.l.v. de bolsjeviki plaatsvond, liep uit
op een mislukking en Lenin vluchtte naar Finland
waar hij ondergedoken leefde. Vanuit zijn schuiladres bleef hij de
bolsjeviki oproepen om tot een opstand te komen. Lenin vond steun bij de
groep rond de revolutionair Trotski,
die zich met zijn groep bij de Bolsjeviki
aansloot (juli). Op 20
oktober poogde de rechtse generaal Lavr
Kornilov via een staatsgreep de macht naar zich toe te trekken. Premier
Alexander
Kerenski wist dit echter te voorkomen. Lenin keerde uit Finland terug
en gebood de oprichting van de Rode Garde, zogenaamd om de arbeiders en
matrozen en de revolutionaire regering te steunen en verdedigen, maar in
werkelijkheid om een revolutie te ontketenen. Premier Kerenski van de
voorlopige regering had zijn handen vol en greep niet in. Op 7
november 1917
pleegde de Rode Garde der bolsjevisten een coup, die de geschiedenis inging
als de Oktoberrevolutie.
De Voorlopige Regering werd gevangen genomen en er werd een revolutionaire
regering gevormd bestaande uit bolsjevisten.
Regeringsleider
De nieuwe regering kreeg
de naam: Raad
van Volkscommissarissen (dwz. ministerraad). Trotski had die naam
verzonnen om zich te distantiëren van de 'burgerlijke' ministerraden van
de Westerse landen en daarmee werd ook duidelijk dat de nieuwe Russische
regering een volledige breuk wensten met het kapitalistische Westen. Lenin
werd voorzitter van de Raad van Volkscommissarissen (premier). Tevens
leidde Lenin het centraal comité van de Bolsjewistische Partij, die vanaf
februari 1918
de naam Russische
Communistische Partij kreeg.
In december 1917
vormde Lenin zijn tweede regering, een coalitieregering (tevens de laatste
coalitieregering in Sovjet-Rusland; in 1918 werden de coalitiegenoten uit
de regering gezet.), waarin ook leden van de Linkse
Sociaal-Revolutionaire Partij zitting hadden. De nieuwe regering zond
een afvaardiging om vrede te sluiten met de Centralen
(Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en Turkije). De eerste
besprekingen mislukten maar in februari 1918
werd de vrede
van Brest-Litovsk gesloten. Rusland onttrok zich aan de Eerste
Wereldoorlog, maar in eigen land begon de burgeroorlog (zie: Russische
Burgeroorlog). Voormalige tsaristische officieren, burgerlijke
politici, een deel der sociaaldemocraten (mensjeviki) en de
sociaal-revolutionairen begonnen de nieuwe communistische regering te
bestrijden. Deze 'Witte Legers' bestreden gedurende 3 jaar de 'Rode Legers'.
In 1921 kwam
de burgeroorlog formeel tot een 'einde' hoewel het nog tot 1924
onrustig zou blijven in Rusland. In Turkestan zelfs tot 1926 (op enkele
gewapende groepen van de Basmatsjiopstand
na, die doorvochten tot in de jaren '30).
Marxistisch socialisme
betekent op economische vlak nationalisatie en gemeenschappelijk grondbezit.
Tijdens de burgeroorlog was inderdaad alles in handen van de staat. Na de
opstand van Kronstadt
introduceerde Lenin in 1921
de Nieuwe
Economische Politiek (NEP). De NEP voorzag in een gemengde economie:
een deel der economie bleef genationaliseerd een ander deel werd privé-bezit.
Dit is niet dogmatisch marxistisch - dat wist Lenin zelf ook wel - maar
getuigt van realisme. De NEP bracht Rusland economisch gezien terug naar
het peil van 1913
en de mensen kregen weer een acceptabele levensstandaard.
Lenin oefende steeds een
harde terreur jegens opstandige boeren en arbeiders, alsook tegen politieke
tegenstanders, uit. Een goed voorbeeld hiervan vormt het neerslaan van de
opstand van de Poetilov-fabriek.
Ook de Kronstadt
revolte (eilandje voor de kust van Sint-Petersburg) werd hardhandig
onderdrukt. Toen er, waarschijnlijk door Fanny
Kaplan, op 30 augustus 1918 een aanslag op zijn leven werd gepleegd (zijn
gezondheid verminderde vanaf die tijd en zijn latere hartaanvallen worden
toegeschreven aan dit incident), werd de Rode
Terreur uitgevaardigd door de bolsjewieken. Toch was Lenin geen
alleenheerser. Hij was weliswaar de meest charismatische revolutionair
tijdens de Russische
Revolutie en werd als zodanig door collega revolutionairen beschouwd,
de macht lag niet alleen in zijn handen geconcentreerd. Alle belangrijke
besluiten, ook die van Lenin, moesten formeel steeds worden goedgekeurd
door de Partij. Lenin bezat niet die macht, dat hij de belangrijkste
partijorganen, het Centraal Comité en het politburo
uitsluitend kon vullen met jaknikkers; iets wat Stalin (overigens pas eind
jaren dertig) wél voor elkaar kreeg.
In mei
1922 werd
Lenin getroffen door een beroerte, waarvan hij echter herstelde, later
volgden er nog meer. Bij een latere beroerte werd Lenin van zijn
spraakvermogen beroofd. Hij stierf in Nizjni
Novgorod (Gorki, bij Moskou)
op 21 januari 1924
na een aantal beroertes
als gevolg van een eliminatiepoging. Zijn gebalsemde lichaam werd permanent
tentoongesteld in Moskou.
Anno 2006 ligt
Lenin nog steeds in het mausoleum op het Rode
Plein. Iedere twee weken wordt zijn lijk speciaal behandeld en
regelmatig moet het goed worden opgeknapt.
Lenin
en de Partij
Lenin wordt gezien als de
grondlegger van het communistisch partijwezen in Rusland. De Russische
Communistische Partij (zoals de bolsjevistische partij sinds 1918
heette) werd door Lenin een strak en centraal geleide politiek waar het democratisch
centralisme werd ingevoerd. Dit betekent dat wanneer het Centraal
Comité een meerderheidsbesluit had genomen, de minderheid, die dat besluit
voorheen bestreed, zich bij die meerderheid moest neerleggen. Die
minderheid moest van harte helpen dat besluit ten uitvoer te brengen. Dit
versterkte de positie van Lenin, die altijd wel een meerderheid in het CC
op zijn hand wist te krijgen. Het instellen van een verbod op factievorming
in de Partij bezorgde de partijleiding de gewenste macht om opstandige
leden te kunnen royeren naar believen. Dit droeg in niet geringe mate mee
aan de vorming van de dictatuur van Jozef
Stalin, alsmede van andere communistische leiders.
Lenin bleek echter minder
enthousiast om staats- en partijfuncties in dezelfde personen te
concentreren, iets wat echter vaak in communistische landen gebeurde. Toch
gaf Lenin zijn voorzitterschap van het CC op (dat gaf hij aan Stalin, die
ongemerkt zijn macht verder uitbouwde) en behield slechts het
voorzitterschap van het kabinet.
Over Lenin en de staat
kunnen we kort zijn. Volgens de marxistische doctrine - die Lenin op dit
punt nauwgezet volgde - zou de staat afsterven. Lenin geloofde hier tot
zijn dood vurig in: de wereldrevolutie leek dichterbij dan ooit. In zijn
optiek zouden de mensen als broeders en zusters (kameraden) vreedzaam
samenleven in de proletarische wereld, daarin was een regering (= dwang)
niet meer nodig. Tot die tijd (tot de fase van het werkelijke communisme
was bereikt), was de staat echter noodzakelijk en moest zij krachtig zijn.
Na Lenins dood werd hij
als partijleider opgevolgd door Stalin.
Deze claimde dat hij door Lenin per testament was aangewezen als zijn
opvolger. Later bleek dat Lenin zich juist negatief had uitgelaten over
Stalin. Ook Kroepskaja, Lenin's vrouw was niet zo te spreken over Stalin's
gedrag.
|