|
Adolf Hitler (Braunau
am Inn (Oostenrijk-Hongarije),
20 april
1889 – Berlijn,
30 april
1945) was een Duits
politicus
en dictator.
Hij was de leider van het Duitse Derde
Rijk. Tijdens zijn bewind stuurde hij doelbewust aan op een
veroveringsoorlog: de Tweede
Wereldoorlog. Tevens vonden onder zijn bewind de Holocaust
en diverse andere genocides
plaats. Hitler droeg hiervoor de eindverantwoordelijkheid.
In de Holocaust werden
circa 6 miljoen Joden
vermoord. Hoewel Hitler nooit veroordeeld is voor oorlogsmisdaden omdat hij
zelfmoord
pleegde voor hij terecht kon staan, wordt hij over het algemeen beschouwd
als een van de grootste oorlogsmisdadigers
in de geschiedenis van de mensheid.
Inleiding
Hitler vertrok vanwege
zijn Groot-Duitse
sentimenten in 1913
naar Duitsland
en wel naar de Beierse
stad München.
Toen de Eerste
Wereldoorlog uitbrak meldde hij zich direct als vrijwilliger aan en
werd ingedeeld bij het Beierse leger. In de oorlogsjaren (1914-1918)
vocht hij vier jaar lang mee als ordonnans
in de rang van Gefreiter (ongeveer gelijk aan korporaal),
de op één na laagste rang. Het Duitse 16e Beierse
reserve-infanterieregiment waarbij hij diende kwam onder meer in actie bij
de Slag
om Ieper. Hij raakte meerdere malen gewond, o.a. bij Mesen.
Hij kreeg een kogelschampschot langs zijn voorhoofd. Om zijn litteken te
verbergen, droeg hij zijn haar met een bles op zijn voorhoofd. Hij kreeg
beide versies van het IJzeren
Kruis en zwaaide uiteindelijk slechts af als Gefreiter omdat zijn
meerderen vonden dat hij leidinggevende kwaliteiten ontbeerde; iets dat
Adolf zeer frustreerde. In november 1918
besloot hij de politiek in te gaan. Die gelegenheid deed zich voor in 1919
toen hij zich aansloot bij de Duitse Arbeiderspartij (DAP), één van de
talloze kleine politieke groeperingen uit die tijd.
Hitler kwam aan de macht
in een tijd waarin het Duitse volk leed onder werkloosheid,
armoede
en andere gevolgen van de Eerste
Wereldoorlog. Door het Verdrag
van Versailles werd Duitsland gedwongen tot het doen van
herstelbetalingen voor de geleden oorlogsschade. Deze verplichting drukte
zwaar op het land. Toen bovendien eind oktober 1929,
toen Duitsland net wat begon op te krabbelen, de beurskrach
van New York ook de Duitse economie deed ineenstorten, greep Hitler
zijn kans. Via een gesmeerde propagandamachine wist hij zichzelf en zijn
partij zeer populair te maken en won steeds meer zetels in het parlement.
Na zijn
verkiezingsoverwinning in 1933
werd hij benoemd tot rijkskanselier
van Duitsland. In 1939
gaf hij het bevel Polen
binnen te vallen, waarop het Verenigd
Koninkrijk en Frankrijk
aan Duitsland
de oorlog verklaarden. Op 30 april 1945,
in de namiddag, pleegde hij zelfmoord in zijn bunker te Berlijn,
samen met zijn vrouw Eva
Braun. Ze waren beiden op 29 april 1945 getrouwd in de bunker.
Zij nam vergif in, terwijl Hitler in zijn rechterslaap, zich door het hoofd
schoot. Iets later werden ze naar boven gebracht, en werden de lijken in
een kuil met benzine gelegd en verbrand. De Russen
zouden later, Hitlers' schedel,
en resten van hun lichamen, naar Moskou
gebracht hebben, voor onderzoek.
Jeugd
en algemene gegevens
De vader van Adolf Hitler,
Alois,
werd in 1837
geboren als de onwettige zoon van Maria
Anna Schicklgruber en kreeg daarom de naam van zijn moeder. Vijf jaar
later huwde Maria Anna met de molenaarsknecht Johann
Georg Hiedler die waarschijnlijk ook de biologische vader van Alois was.
De naam van Alois
Schicklgruber werd later veranderd (op 23 november 1876)
in het op Hiedler gelijkende Hitler, door een spelfout. Later zou zijn zoon
Adolf in het boek Mein
Kampf (Mijn strijd) vermelden dat dit het enige was waar hij zijn
vader dankbaar voor was. Heil Hitler klonk immers veel beter dan Heil
Schicklgruber![1]
Zowel van vaders- als
moederskant was de familie van Adolf Hitler afkomstig uit het Oostenrijkse
Waldviertel,
een streek tussen de Donau
en het huidige Tsjechië
(de naam 'Hitler' zou eventueel van Tsjechische oorsprong kunnen zijn).
Behalve Johann Georg
Hiedler duiken er ook nog twee andere mannen op die mogelijk de vader van
Alois zouden kunnen zijn geweest, te weten een boer genaamd Johann Nepomuk
Hüttler en (maar dit is onzekerder) een Jood genaamd Frankenberger
uit Graz waar
Maria Anna Schicklgruber een tijdje bij in de huishouding had gewerkt.
Adolf Hitler had drie
broers, een halfbroer, Alois
Hitler jr., twee zusters en een halfzuster, allen kinderen van Alois
Hitler. De drie broers en een van de zussen overleden op jonge leeftijd.
Hitlers zuster Paula
Hitler (1896-1960)
leidde een teruggetrokken bestaan en overleed in Berchtesgaden.
Hitlers halfzuster Angela
Hitler (1883-1949)
was gehuwd met Leo
Raubal en had voor zover bekend een zoon en twee dochters. De oudste
dochter van Angela
Hitler oftewel Angela
Raubal, die dezelfde naam droeg maar de bijnaam Geli had, zou later een
relatie met haar oom Adolf Hitler krijgen en pleegde op 18
september 1931
zelfmoord.
Hitlers halfbroer, Alois
Hitler jr., werd caféhouder in Berlijn. Hij werd omschreven als een 'gezellige
mollige kroegbaas, die in niets op zijn beroemde halfbroer geleek'. Hij
leefde in angst dat deze beroemde (en ijdele) halfbroer uit schaamte zijn
tapvergunning zou intrekken.
Hitler was een vrij
teruggetrokken persoon, en leed zelfs aan verlegenheid. Dit stond in schril
contrast met zijn latere discussiebereidheid, waarin hij steevast trachtte
zijn gelijk te behalen. Dagdromen was een van zijn favoriete bezigheden.
Dit was een van de redenen dat Hitler stelselmatige arbeid verafschuwde:
het hield hem van het dagdromen en hij voelde zich er bovendien te goed
voor. Zelfkritiek was hem vreemd: anderen waren vaak de oorzaak van hetgeen
hem overkwam. Ondanks het feit dat hij enkele jeugdvrienden had, voelde hij
zich bij veel mensen nauwelijks of niet op zijn gemak. 'Honden zijn mijn
enige vrienden', zei hij eens.
Tijdens zijn tienerjaren
overleed zijn autoritaire vader; met zijn moeder had hij een sterke band.
In zijn kinderjaren was hij koorknaap en misdienaar
in de Rooms-Katholieke
Kerk. Op de basisschool deed Hitler het niet slecht. Hij was een
levendige schooljongen maar hij was niet goed in staat regelmatig te werken,
iets wat hem in zijn verdere leven parten is blijven spelen.
Op de middelbare school
daarentegen kon Hitler niet goed meekomen. Hij had vanwege zijn
afstandelijke gedrag en zijn verlegenheid (met name tegenover vrouwen)
weinig of geen vrienden. Het enige vak waar hij daadwerkelijk goede
beoordelingen voor kreeg, was tekenen. Zijn slechte schoolprestaties
schreef hij toe aan zijn leraren, die hij als 'erudiete apen' omschreef,
behalve zijn geschiedenisleraar, die hij verafgoodde (de liefde werd niet
met goede cijfers beantwoord: 'matig' tot 'ruim voldoende' was het hoogste
dat hij behaalde). In zijn puberteit werd de jonge Adolf ook voor het eerst
en voor het laatst in zijn leven dronken. Een melkmeisje vond hem 's
ochtends en bracht hem naar huis. Toen hij was bijgekomen zwoer hij nooit
meer te drinken. Daar hield hij zich aan, op later een enkel glas wijn na.
Ook minderde hij zijn vleesconsumptie, en beweren sommige biografen dat hij
zelfs vegetariër
werd. De meeste bronnen stellen echter dat hij in die periode af en toe
toch vlees at. Dat hij duidelijk sympathie voor dieren had bleek uit het
feit dat zijn regime als een van de eerste in de wereld wreedheid tegen
dieren strafbaar stelde.
Wenen
Het was Hitlers ambitie om
kunstschilder
te worden en hij toog in 1907
naar Wenen
om zich in te laten schrijven bij de kunstacademie. De kunstacademie
waarbij hij zich aanmeldde wees hem echter af. De directeur suggereerde hem
weliswaar om architect
te worden, maar dit betekende wederom datgene waar hij een gruwelijke hekel
aan had: regelmatig werken. In de jaren vóór de Eerste
Wereldoorlog verdiende hij de (karige) kost met allerlei kleine
baantjes, wat werk als ongediplomeerd kunstschilder en een wezenuitkering.
Dit leverde weinig op en daarom overnachtte hij dikwijls in een
daklozenpension. Het feit dat hij mislukt was schreef hij toe aan de
kunstacademie die zijn talent miskende en de leraren die het onderwijs
hadden verpest. Dat zijn eigen luiheid er misschien debet aan was heeft hij
nimmer erkend, want zelfkritiek was hem vreemd. Hij beschilderde
noodgedwongen ansichtkaarten met landschapjes en verkocht die om toch nog
wat geld voor zijn levensonderhoud te krijgen.
Vaak bracht hij zijn tijd
al lanterfantend door waarbij hij zich een hartstochtelijk kranten- en
tijdschriftenlezer betoonde. In deze periode vormde hij (mede door allerlei
contacten) zijn ideologische
basis, bestaande uit antisemitisme,
antiparlementarisme
en Groot-Duits
nationalisme; ook keek hij neer op de Slavische
volkeren. Hitler bezocht verschillende keren het Weense parlement, waar
hij grote verachting en haat ontwikkelde voor de democratie.
Het versterkte zijn haat en weerzin tegen de invloed van Joden
in politiek en samenleving.
De Britse historicus Ian
Kershaw geeft in zijn uitgebreide Hitlerbiografie aan dat het niet
duidelijk is waardoor de Jodenhaat van Hitler eigenlijk ontstaan is. Hij
had aanvankelijk Joden in zijn kennissenkring maar in korte tijd werd hij
toch een fanatiek antisemiet.
Anti-Slavische en
antisemitische stromingen waren in Wenen, evenals in Sudetenland
en Silezië,
in opkomst, als reactie op het toenemende Slavische
zelfvertrouwen. De Joden werd het kwalijk genomen dat zij als fabrieksbazen
Slavische arbeiders in dienst namen, die hiertoe naar steden als Praag,
Posen,
Pressburg
en Wenen trokken en het Duitse karakter van deze steden ondermijnden. De
jonge Adolf was al in Wenen
onder de indruk gekomen van het antisemitisme waarmee de toenmalige
burgemeester, Karl Lueger, aan de macht was gekomen. Ook de antisemitische
beweging van Georg von Schönerer heeft invloed gehad op de jonge Hitler.
Tijdens zijn jaren in Wenen en later in München,
waar hij volgens eigen zeggen graag mensen en hun gedrag observeerde, nam
zijn overtuiging de vorm aan die hij later in al zijn extremiteit zou
etaleren.
In discussies met andere
bewoners van het Weense 'mannenhuis' waar hij af en toe woonde bracht hij
zijn standpunten compromisloos naar buiten. Hij praatte om anderen te
overtuigen van de juistheid van zijn visie, was altijd bereid tot discussiëren,
en hij bleek radicaal en zwart-wit in zijn denken. Opvallend was toen al
dat Hitler niet tegen inhoudelijke kritiek op zijn denkbeelden kon en begon
te schreeuwen als hij dreigde een discussie te verliezen.
Ook ontwikkelde hij in
Wenen een sterk Duits nationalistisch
gevoel, zoals veel Duitsers in Oostenrijk dat kenden. In zijn denken zou
een aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland een zegen voor dat land zijn.
Hij zag in het heersende Habsburgse
huis een teveel aan schadelijke Slavische, dus on-Duitse, invloeden.
Ook in het bolsjewisme,
marxisme
en communisme
zag hij een groot kwaad dat bestreden moest worden.
Waarschijnlijk vormde zich
in Wenen reeds de kern van Hitlers grote ideaal: het idee van 'Eén leider
(Adolf Hitler), één wil (die van hemzelf), één volk (het Duits-Arische)'.
Al vroeg in zijn politieke carrière, vanaf 1925 ongeveer, liet hij
zich der Führer (de leider) noemen. Hij droomde van het Derde Duitse
Rijk (het Dritte Reich), waarin geen plaats zou zijn voor Joden
en andere door hem verderfelijk geachte groepen in de samenleving (onder
andere homoseksuelen), maar waar Duitsers in harmonie en verenigd onder
één leider zouden bouwen aan hun toekomst. Later werd duidelijk dat hij
in feite absolute wereldheerschappij verlangde, waarin de Duitsers het
machtigste volk zouden zijn. De omvang van deze grootheidswaan
groeide met zijn succes.
In zijn rassentheorie
verheerlijkte Hitler het Arische
ras, waarvoor hij Lebensraum
(leefruimte) wilde creëren; daarvoor had hij vooral het grote Rusland
in gedachten. Hij verheerlijkte het idee van de 'edelgermaan'. Wat Joden
betreft stond hij erop hen een 'ras' te noemen; dit paste bij zijn zuiver/onzuiver-bloedtheorie.
Hij beschouwde Joods bloed als het 'gif' van de samenleving, wat daaruit geëlimineerd
zou moeten worden. Sommige Hitlerverklaarders noemen dit zijn mystiek.
Anderen benadrukken meer prozaïsche verklaringen zoals zijn
uitgesproken afkeer van het zogenaamde 'Joodse kapitalisme', zonder dat hij
daar specifiek namen bij noemde. Hij creëerde in elk geval een zeer
haatdragende en schampere karikatuur
van 'de Jood' en vuurde dat af op zijn publiek.
Feit is wel dat het
antisemitisme in die tijd al leefde onder de (niet alleen Duitse) bevolking.
Adolf Hitler heeft daar onder andere met de hierbovengenoemde karikaturen
van Joden en
door zijn grote redenaarstalent handig op in weten te spelen.
München
In de lente van 1913
emigreerde Adolf Hitler naar München
in het Zuid-Duitse koninkrijk Beieren.
Hij ontsnapte daarmee aan de militaire dienst in Oostenrijk. Lafheid was
dat waarschijnlijk niet, want toen in 1914 de Eerste
Wereldoorlog uitbrak, nam hij onmiddellijk enthousiast dienst in het Duitse
leger. Een waarschijnlijker reden voor deze overstap was dat hij voor
Oostenrijk geen zelfstandige rol meer zag weggelegd; toen al was in zijn
denken aansluiting bij Duitsland een onontkoombaar feit.
Eerste
Wereldoorlog
Het uitbreken van de
Eerste Wereldoorlog werd in Duitsland in het algemeen en ook door Hitler
met enthousiasme begroet. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Hitler, die
als dienstklopper werd gezien, als een vreemde eend in de bijt beschouwd.
Hij verkreeg de functie van ordonnans, waarbij hij met gevaar voor eigen
leven bevelen naar de voorste posten van het Westelijke loopgravenfront
bracht. Dat hij inderdaad geen lafaard was bleek uit de onderscheidingen
die hij hiervoor kreeg. Voor zijn dappere inzet kreeg Hitler reeds in
december 1914 het IJzeren
Kruis 2e klasse.
In mei 1918
kreeg hij een Regimentsdiploma wegens dapperheid tegenover de vijand, en in
december 1918 werd hem het, aan manschappen zelden verleende, IJzeren Kruis
1e klasse verleend. In 1918 raakte hij als Gefreiter (korporaal) bij
een gasaanval gewond. Hij was verblind door het gifgas, dat duurde drie
maanden. Ook werd hij bij Mesen
gewond aan het voorhoofd
door een kogelschampschot. Om het litteken te verbergen droeg Hitler zijn
haar met een schuine bles. De ineenstorting van het Westelijke front o.a.
door toedoen van de Amerikaanse interventie en de uitputting van de laatste
Duitse reserves, heeft Hitler, die toen in een militair ziekenhuis in
Pasewalk werd verpleegd, niet meegemaakt; hij ging er daardoor van uit dat
het front steeds stand had gehouden. Zo geloofde Hitler heilig in de dolkstootlegende
waarbij de nederlaag van het Keizerlijk
leger werd toegeschreven aan het verraad van de socialisten,
Joden, communisten
en republikeinen
(de zgn. Novemberverbrecher). Ondanks de indrukwekkende staat van
dienst van korporaal Hitler is hij nooit bevorderd. Men vond dat hij
leidinggevende kwaliteiten daarvoor ontbeerde.
1918-1933
Tijdens de Sovjetopstand
in München en de vestiging van de zogenaamde Beierse
Radenrepubliek in 1919
heeft Adolf Hitler mogelijk deelgenomen aan het oproer. Een document met de
naam Hittler (met 2 t's) doet dit vermoeden, al is er nog veel
discussie tussen academici omtrent dit omstreden onderwerp. Hoe dan ook,
het Freikorps
kwam München ontzetten, en de communistische opstand werd in de kiem
gesmoord. Opeens dook Hitler op als infiltrant van het leger. Het was in
die hoedanigheid dat hij vanaf dat ogenblik bijeenkomsten van kleine
politieke groepjes bijwoonde, die als paddenstoelen uit de grond schoten na
de val van het keizerrijk.
In 1919 kreeg Hitler als
infiltrant de opdracht een vergadering van zo'n kleine, mogelijk linkse
partij, bij te wonen. Dit was de DAP, de Deutsche
Arbeiterpartei, waarvan het woord 'Arbeiter' al voldoende was hen in de
ogen van het leger verdacht te maken. De toen nog piepkleine partij was
opgericht door onder meer de spoorwegbeambte Anton
Drexler. Zij vergaderde in een bedompt café, waar slechts ca. 100
belangstellenden aanwezig waren. Tot Hitlers verrassing bleek de partij
nationalistisch, maar verder was het een armzalig zooitje. Het aantal leden
bedroeg nog geen 500, waarvan misschien 50 actief waren, en het batig
kassaldo bedroeg ongeveer 50 Reichsmark. Net toen Hitler aanstalten maakte
om weg te gaan, maakte een 'professor' opmerkingen die Hitler razend
maakten. Hij nam het woord en sprak de vergadering heftig toe, tot de
professor vertrok. Hierop liep Hitler tevreden weg. Anton Drexler rende
achter hem aan en gaf hem wat pamfletten, met het verzoek (bestuurs)lid te
worden. Na een nacht nadenken stemde Hitler toe en sloot zich bij de partij
aan.
Vanwege zijn
organisatorische en retorische gaven rees zijn ster snel. Hij wist hoe hij
een massa toehoorders moest raken en hypnotiseren, dit in tegenstelling tot
zijn onhandigheid in kleine kring. Daarnaast begon hij direct pamfletten te
laten drukken, die hij desnoods zelf verspreidde. De volgende bijeenkomst
was dubbel zo groot als de eerste, al snel volgden bijeenkomsten in zalen
met 2000 man en meer. De schamele financiën werden opgekrikt door 1 Mark
entree te vragen voor bijeenkomsten. Toen de partij groeide werd een
reguliere contributie ingevoerd. Binnen enkele jaren werd Hitler van een 'niets'
een publiek 'iets'. Nu begonnen ook rijkere conservatieve Münchenaren aan
de partij te doneren. Het ligt voor de hand te concluderen dat hij door
deze gave om macht over mensen uit te oefenen ook in eigen ogen steeds
groter werd. In 1921
werd hij leider van de partij.
Een bewaard gebleven brief
van hem uit 1919 getuigt ervan dat toen al iets van een 'verlosser'-idee in
hem aanwezig was: dat hij, Adolf Hitler, de enige was die Duitsland naar
een 'wedergeboorte' kon leiden. Ook later zei hij meermalen dat hij
geloofde door het 'lot' te zijn voorbestemd voor zijn rol in de
geschiedenis. In zijn laatste jaren versterkte zich die overtuiging alleen
maar; het was Hitler of de chaos; hij vereenzelvigde Duitsland met zijn
eigen levenslot.
Misschien wel de
belangrijkste reden die Hitler aangaf voor zijn beslissing politiek actief
te worden, was de linkse Novemberrevolutie
van 1918,
waarmee de adellijke regenten, inclusief de Duitse keizer Wilhelm
II, van hun macht werden ontdaan. Voor veel Duitsers was dit moeilijk
te verteren en de democratische Weimarrepubliek
van 1919 ondervond dan ook veel tegenstand. Bovendien had naar Hitlers
overtuiging deze revolutie Duitsland definitief de nederlaag bezorgd. Hij
zag het als zijn missie dat weer recht te zetten. De oorlog die hij in 1939
begon was voor hem een voortzetting van de Eerste Wereldoorlog, om
Duitsland alsnog de overwinning te bezorgen over het 'internationale
Jodendom'.
Al decennia lang waren
elementen van het nationaal-socialisme
aanwezig in Duitsland,
Oostenrijk
en ander Europese landen: nationalisme,
anti-marxistisch
socialisme,
biologisch antisemitisme,
sociaal-darwinisme,
racisme,
eugenetica.
In Duitsland en Oostenrijk ontwikkelden zich populaire Teutoonse varianten
van deze elementen, met name antisemitisme, antiliberalisme en
antikapitalisme. Dit ging gepaard aan een extreme vorm van nationalisme,
het zogenaamde völkische
nationalisme, met zijn mystieke eigenschappen van een harmonische Duitse
sociale en hiërarchische orde.
Alleen al in München
bestonden in 1920
ten minste 15 völkerische verenigingen, de meeste opgericht na de
oorlog (b.v. de Thule
Gesellschaft; de Nordische Vereniging). Het waren, net als de DAP in
het begin, kleine, onbeduidende groepjes, maar ze verspreidden met elkaar
een ongelofelijke hoeveelheid propagandamateriaal. Ook werden er op
nationaal niveau pogingen gedaan deze groepen te bundelen.
In het Sudetische Trautenau
bestond sinds 1904
al een nationaal-socialistische partij, die eerst evenals Hitlers partij de
Deutsche
Arbeiterpartei heette, en na de Eerste Wereldoorlog haar naam
veranderde in de Duitse
Nationaalsocialistische Arbeiderspartij, de DNSAP. Ook de partij van
Hitler veranderde van naam en werd de Nationaalsocialistische
Duitse Arbeiderspartij (NSDAP).
Contacten tussen de twee
partijen mondden uit in een samengaan begin jaren '20. Maar de NSDAP
bleek in 1923
superieur en in 1926
werden ze samengevoegd tot één partij, de NSDAP met een Oostenrijkse en
een Duitse tak. Hitler werd de enige leider van beide afdelingen.
Ondanks interne
partijstrubbelingen lukte het Hitler de macht te behouden. Door onder meer
agressieve publiciteit en Hitlers sprekerstalent groeide het aantal
toehoorders spoedig tot enkele duizenden per avond. In plaats van cafés
werden nu grote bierhallen afgehuurd voor de samenkomsten en spreekbeurten.
De partijaanhang groeide
en daarmee de hoop op verandering. Op 9
november 1923
werd op aandringen van Hitler een slecht georganiseerde poging gedaan de
macht in Beieren te grijpen en daarna de Republiek van Weimar omver te
werpen. In feite zag Hitler zelf weinig in de couppoging, maar hij was
waarschijnlijk bang dat zijn achterban anders zou overlopen naar een partij
die wel bereid was tot actie. Deze Bierkellerputsch,
zoals hij genoemd wordt, begon in een bierhal. Daar stelde Hitler, zwaaiend
met een pistool, de nieuwe 'regering' aan de enthousiaste toehoorders voor,
terwijl gewapende groepen mannen strategische gebouwen en instellingen in
de stad trachtten te veroveren. Ook Ernst
Röhm nam deel aan deze Putsch, die mislukte en waarbij veertien
coupplegers en vier politiemensen omkwamen. Hitler werd veroordeeld tot
vijf jaar gevangenschap, die hij uitzat in de gevangenis van Landsberg. Al
na een jaar, op 20
december 1924,
werd hij vrijgelaten.
Hij benutte die tijd met
het schrijven van Mein
Kampf (Mijn strijd). In dit autobiografische boek beschreef hij
zijn afkomst en jeugd, zijn tijd in Linz,
Wenen en München,
de vorming van zijn denken, zijn ideeën en zijn toekomstplannen.
Al enkele maanden na zijn
vrijlating in 1924
werd het spreekverbod op de partij in München opgeheven. Waar het verbod
op de partij nog wel bestond, en dat gold in het begin voor vrijwel heel
Duitsland, werd door middel van gewelddadige provocaties geprobeerd 'het
nieuws te halen'. Dat lukte vaak. Desondanks werd het verbod in de ene na
de andere deelstaat opgeheven. In de media werd steeds meer macht veroverd.
Eind jaren '20 kon de NSDAP uitgroeien tot een grote landelijke partij.
Aan
de macht
Voor Hitler, als leider
van de Nationaalsocialistische Arbeiderspartij, was toen de weg vrij voor
deelname aan de verkiezingsstrijd. Aanvankelijk ging dit niet van een leien
dakje. De partij wist aanvankelijk wel rond de dertig zetels in de Rijksdag
te bemachtigen, maar dit werden er bij elke verkiezing minder. Ook was de
groei van het ledental beneden verwachting. Dit was te wijten aan het
Amerikaanse geld dat in het kader van het Dawes-plan
Duitsland binnenstroomde, en de economische hoogconjunctuur. De Fransen
vertrokken uit het Ruhrgebied, de nieuwe Rentenmark bleek waardevast, en de
Duitse economie groeide weer. Langzaam sijpelde wat welvaart door naar de
middenklasse, en men keerde zich af van extremistische partijen, en stemde
weer op de traditionele partijen zoals de SPD, DVP en Zentrum. In 1928
kwam de partij met 12 zetels in het parlement: een dieptepunt.
De crisis van 1929,
ontstaan door de Beurskrach,
breidde zich echter uit naar Duitsland. Een golf van faillissementen deed
de werkloosheid explosief stijgen. De rijksregering moest impopulaire
maatregelen nemen met toepassing van artikel
48 van de Grondwet, waarna zij direct in nieuwe verkiezingen werd
afgestraft. De NSDAP kwam met 107 zetels terug in het parlement. In 1932
waren dat er al 232, hoewel Hitler bij de presidentsverkiezingen geen
meerderheid van stemmen behaalde. Veel kopstukken uit de politiek en het
bedrijfsleven wilden desondanks, of wellicht dankzij dat feit, toch met
Hitler praten. Men zag een communistische regering als een groter kwaad dan
een nazi-regering. De partijschulden werden door het bedrijfsleven betaald
(de partij was vrijwel failliet), en men begon een lobby bij de
rijkspresident. In januari 1933 raakte Duitsland door een serie complotten
bijna onbestuurbaar. Kurt
von Schleicher en de communisten loerden op kansen een junta of een
radenrepubliek te vormen op legale of illegale wijze, en ieder kabinet
zonder de nazi's viel.
In 1933
werd Hitler ten slotte door de toenmalige rijkspresident van de Weimarrepubliek,
Paul
von Hindenburg benoemd tot Rijkskanselier.
Hindenburg was van diverse zijden onder druk gezet om Hitler tot
Rijkskanselier te benoemen en gaf tenslotte toe. In die tijd kocht Hitler
het chalet 'Haus Wachenfeld' (later de Berghof
genoemd) op de Obersalzberg
nabij Berchtesgaden: daar bouwde Adolf Hitler zijn tweede machtscentrum. De
impact van zijn woonplaats op de Obersalzberg
was enorm.
Hindenburg overleed in 1934.
Vanaf toen verzwakte Hitler de rol van parlement en regering tot het punt
dat hij dictatoriale macht had. In 1938
eigende Hitler zich tevens het opperbevel van de Duitse Wehrmacht
toe. Hij verstevigde zijn positie verder met behulp van onder andere Heinrich
Himmlers Gestapo
en een goed georganiseerd propagandanetwerk,
dat onder leiding stond van Joseph
Goebbels. Naast propaganda
zag Hitler terreur
als een pilaar van de macht. Vanaf de oprichting van de partij tot aan de
ondergang was geweld een veelgebruikt middel om oppositie de mond te
snoeren. Waren de knokpartijen in het begin soms meer bedoeld om de krant
te halen en tegenstanders te intimideren, later ging men over tot
regelrechte moord op mensen die openlijk tegen Hitler en het nazisme
in het geweer kwamen. Hitler vond het belangrijk ook de straat te beheersen.
Nadat Hitler aan de macht
gekomen was ging hij over tot de uitvoering van zijn plannen, waaronder de
aanleg van een groot Duits wegennet, waar zijn voorganger Franz
von Papen al de aanzet toe gegeven had. Hij bezorgde daarmee in één
klap honderdduizenden Duitsers weer werk, waardoor zijn populariteit bij de
Duitse arbeiders alleen maar toenam. In 1935
opende hij tussen Frankfurt en Darmstadt de eerste autobahn
in Duitsland. Dit betrof onder meer de Linksrheinische en de
Rechtsrheinische autobahn. Een jaar eerder (in 1934)
had hij Ferdinand
Porsche de opdracht gegeven om een Kraft durch Freude-wagen te
ontwerpen, een wagen voor het volk (de Volkswagen).
Een ander actiepunt was de
uitbreiding van de ontwikkeling en productie van wapens en ander
oorlogstuig. In 1942
zou hij rijksarchitect Albert
Speer benoemen tot rijksminister voor bewapening en munitie. Ook na 1943,
toen de militaire kansen in de oorlog gekeerd waren, bleef Hitler
optimistisch geloven dat nieuw ontwikkelde wapens als een nieuw type
vliegtuig, een nieuw type tank en de V-1-
en V-2-wapens de
rollen weer zouden omdraaien.
Hitler verordonneerde ook
georganiseerde moord
op geestelijke en lichamelijke gehandicapten.
Het zogenaamde T-4-euthanasieprogramma.
Er zijn door Hitler ondertekende documenten overgeleverd waaruit blijkt dat
hij deze actie goedkeurde. Pas in 1940
klonken de protesten daartegen zo luid, dat het programma werd gestopt,
maar toen had het regime al honderdduizend gehandicapten 'weggezuiverd'.
Weg
naar de Holocaust
Meteen na zijn aantreden
verschenen in openbare ruimten de eerste bordjes 'Voor Joden verboden'.
Beroepsverboden werden uitgevaardigd en huwelijkswetten aangepast. Vanaf 1935
(de 'wetten
van Neurenberg') was het voor een Jood verboden om te trouwen met een
niet-Jood. Steeds meer Duitse Joden gingen over tot emigratie. Anderen
werden opgepakt en naar 'werkkampen' gestuurd, wat later de concentratiekampen
bleken te zijn. Een van de meest antisemitische Hitlergetrouwen was Julius
Streicher, die zich al in de jaren '20 ontpopte tot een vurig
propagandist van de haat tegen Joden, waar Hitler dankbaar gebruik van
maakte.
In de Poolse hoofdstad Warschau
werden de daar wonende Joden in een getto
bijeengedreven en later afgevoerd naar de concentratiekampen.
Overigens werden ook in totaal een miljoen Polen
naar werkkampen getransporteerd, en werden uit alle bezette gebieden in
totaal 6 miljoen mannen tussen de 18 en 45 jaar gedwongen tewerkgesteld in
de Duitse oorlogsindustrie. Dit werd de Arbeitseinsatz
genoemd. De rechters van Neurenberg noemden het later 'slavernij'. Tijdens
de Wannseeconferentie
(januari 1942), waar Nazileiders bijeen waren gekomen om tot oplossing (Endlösung)
van het 'Jodenvraagstuk' te komen, werd besloten om de circa 10 miljoen
Europese Joden systematisch om te brengen. De organisatie daarvan werd in
handen gegeven van Reinhard
Heydrich en Heinrich
Himmler, de administratie aan Adolf
Eichmann en de uitvoering aan de talloze officieren, militairen en
burgers die door de jaren heen voldoende waren getraind en gehard. Zigeuners,
homoseksuelen,
Jehova's
getuigen en andere groepen mensen die als ongewenst werden beschouwd
ondergingen hetzelfde lot.[2]
De Holocaust
zelf was in de omgeving van Hitler een taboe.
Een directe opdrachtsrelatie tussen Hitler en de Holocaust is tot op heden
niet gevonden. Het Derde Rijk opereerde sterk op het 'de Führer tegemoet
werken': dingen doen waar geen opdracht voor gegeven was maar waar wel de
ruimte voor was gegeven en waarvan verondersteld werd dat dit in de geest
van de Führer was (aldus Hitlers biograaf Ian
Kershaw). Zo kon Hitler (voor zichzelf) schone handen houden. Hitler is
nooit in Auschwitz,
Majdanek,
Sobibór,
Treblinka
of één van de andere vernietigingskampen
geweest. Hij nam zelf niet actief deel aan de Endlösung. Hoewel hij
in de ogen van de buitenwereld voorzichtig leek te manoeuvreren, heeft hij
over zijn bedoelingen ten aanzien van de Joden nooit twijfel laten bestaan.
Ontelbare keren heeft hij de woorden 'vernietiging' en 'wegvagen'
uitgesproken, waarvan tallozen getuige zijn geweest.
Voorbereiding
op oorlog
Hitler stuurde doelbewust
aan op een oorlog. Hij sloot een pact met de Italiaanse fascistische
dictator Benito
Mussolini. Deze liaison werd de As genoemd. Ook Japan
verklaarde zich solidair met Duitsland. De drie landen werden de Asmogendheden
genoemd.
Op 7
maart 1936
werd het Rijnland
herbezet, in 1938
gevolgd door de Anschluss,
feitelijk de annexatie
van Oostenrijk en (het Tsjechische) Sudetenland.
De internationale gemeenschap reageerde tot Hitlers eigen verbazing slechts
met diplomatiek geschut. De Britse premier Neville
Chamberlain kwam zelfs op bezoek om een vriendschapsverdrag te tekenen.
Aangemoedigd door de lauwe reacties van de internationale gemeenschap
annexeerde Hitler vervolgens de rest van Tsjecho-Slowakije en inderdaad: er
werd nauwelijks hiertegen geageerd door het buitenland. In 1939
sloot Hitler met de dictator van de Sovjet-Unie Josef
Stalin een niet-aanvalsverdrag, het Molotov-Ribbentroppact,
waarbij in een geheime clausule al een overeenkomst over de verdeling van
Polen stond.
Tweede
Wereldoorlog
Nadat Hitler zonder
militaire tegenreactie het Rijnland, Oostenrijk en Tsjechië had kunnen
annexeren, verwachtte hij dat ook een aanval op Polen slechts tot wat
diplomatieke strubbelingen zou leiden. Maar dit keer vergiste hij zich want
enkele dagen na de inval in Polen verklaarden het Verenigd
Koninkrijk en Frankrijk
aan Duitsland de oorlog, waarmee de Tweede
Wereldoorlog een feit was. Om geallieerde interventie, en vooral van
Engeland, voor te zijn bezetten de Duitse legers tien Europese landen
tijdens de zgn Blitzkrieg.
Inbegrepen waren onder andere Noorwegen,
Denemarken,
Nederland,
België
en Frankrijk.
Tot ieders verbazing, inbegrepen de Duitse generaals zelf viel Frankrijk al
binnen een goede maand: de nieuwe taktiek van de Blitzkrieg, overwicht in
de lucht waarop pantsertroepen snel kunnen oprukken, bleek boven ieders
verwachting zeer goed te werken. Plannen voor verovering van Rusland en het
Kaukasusgebied met Bakoe,
om vandaar door te stoten naar Iran
en Irak, om
daarmee de olievoorraden te beheersen, lagen eveneens klaar. Hongarije,
de Balkan
en Griekenland
waren inbegrepen in de aanvalsplannen. Maar Hitler wilde geen
twee-frontenoorlog en probeerde eerst Engeland uit te schakelen.
Iedereen verwachtte dat
dat slechts een kwestie van tijd zou zijn maar de Engelsen wisten boven
verwachting toch stand te houden. Nog een tegenvaller voor Hitler was dat
zijn 'vriend' Mussolini, aangemoedigd door Hitlers successen in West-Europa,
ook op veroveringspad ging in Afrika en op de Balkan. Maar deze was daarin
niet erg succesvol en toen de Grieken hem zelfs dreigden te verslaan was
Hitler gedwongen om in te grijpen. Hierdoor moesten de Duitsers zelf de
Balkan veroveren en de in het nauw gedreven Italianen in Noord-Afrika
ontzetten. De Duitse veldtochten in Noord-Afrika, tot in Egypte
toe, werden aangevoerd door generaal Erwin
Rommel. Na aanvankelijk wisselende successen en nederlagen van de
Duitsers respectievelijk de Britten in Afrika bleken de Britten onder
leiding van Montgomery
bij El
Alamein toch de sterkeren.
Toen ook duidelijk werd
dat de Luftwaffe
de hemel boven Engeland niet onder controle kon krijgen hoefde Hitler ook
niet meer aan een invasie te denken. Ongeduldig geworden besloot hij toen
om toch de Sovjet-Unie aan te vallen om zijn plannen voor Lebensraum
te verwezenlijken. Dit werd hem zeer ontraden door o.a. Josef
Goebbels en Hermann
Goering die Duitsland nog niet klaar vonden voor zo'ñ grote
uitbreiding van de oorlog. Maar Hitler was vastbesloten en stuurde Goering
zelfs op 'vakantie'.
In 1941
begon Hitler toen aan wat velen beschouwen als zijn grootste vergissing: operatie
Barbarossa, de invasie van de Sovjet-Unie. Na aanvankelijk weer grote
successen bleken de grote logistieke problemen en de winter teveel voor het
tot het uiterste beproefde materieel en de oververmoeide manschappen. Vlak
voor Moskou
moest de Wehrmacht halt houden en de winter uitzitten. In de zomer van 1942
werden nog enkele succesjes geboekt maar de invasie mislukte uiteindelijk
bij Stalingrad;
het Oostfront stortte eind 1942
ineen waarna de lange en bloederige terugtocht voor de Wehrmacht naar
Nazi-Duitsland begon, opgejaagd door het Rode leger. Ondertussen was ook de
Verenigde
Staten bij Hitlers tegenstanders gekomen door de Japanse
aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl
Harbor, op 7
december 1941.
Dit leidde tot de oorlogsverklaring van Duitsland aan de VS en tot
georganiseerde deelname aan de oorlog door een geallieerd
bondgenootschap. De Verenigde
Staten en het Verenigd
Koninkrijk leidden de tegenaanval aan het westelijk front en de
Sovjet-Unie die aan het oostelijk front. Sommige generaals van Hitler zagen
toen (1942) al in dat de oorlog op den duur onmogelijk meer te winnen was
met zoveel tegenstanders en stelden voor een gunstige vredesregeling met de
geallieerden te treffen nu het nog kon. Hitler reageerde furieus en
ontsloeg de meeste van deze 'dissidenten'. Vanaf toen nam hij zelf het
definitieve commando van het leger over en smoorde kritiek op zijn plannen
in de kiem.
Een andere tegenslag was
de val van Mussolini
in 1943, en op
20 juli 1944
werd in zijn Pruisische
hoofdkwartier Wolfsschanze
een bijna-gelukte bomaanslag op Hitler gepleegd door een groep officieren
onder leiding van Claus
von Stauffenberg. Hitler zelf zag die aanslag overigens niet als een
tegenslag; het feit dat hij tegen alle verwachting in ontkwam vatte hij
volgens Kershaw en andere biografen triomferend op als een ingreep van 'de
Voorzienigheid'.
Het
einde
De invasie in Normandië (D-Day)
op 6 juni 1944
leidde de bevrijding in van de bezette West-Europese gebieden. Hitler
voelde zich door zijn generaals verraden en ook door het Duitse volk, dat
in zijn ogen in haar historische missie had gefaald. De laatste dagen van
zijn leven bracht hij door in een sombere bunker nabij de kanselarij.
Hitler was op dat moment lichamelijk en geestelijk een wrak. Zijn lijfarts,
dr. Morell,
hield hem met diverse injecties op de been. Hij gaf bevel tot het
vernietigen van alle industriële complexen en het zich doodvechten tegen
de Russen. Hij ging de afgrond in en probeerde het Duitse volk mee te
slepen. Door de snelle opmars van de geallieerden en ook de (heimelijke)
tegenwerking van steeds meer officieren en zelfs nazibonzen als Albert
Speer werden deze laatste Führerbefehlen niet meer uitgevoerd. Op
20 april 1945 vierde hij zijn 56e verjaardag, zijn laatste. Naar het
partijtje in de bunker kwam een aantal hoge nazi's, waarvan een aantal
direct daarna Berlijn ontvluchtte.
Op 30
april 1945 pleegde hij zelfmoord in zijn ondergrondse bunker in Berlijn.
Naar alle waarschijnlijkheid nam hij gif in en schoot hij zich direct
daarop met een pistool een kogel door het hoofd. Dat deed hij samen met Eva
Braun, met wie hij enkele uren tevoren gehuwd was. Ook een aantal van
zijn naaste medewerkers benam zich daarna het leven, waaronder zijn
beruchte minister van propaganda Joseph
Goebbels. Acht dagen later, op 8 mei 1945,
gaf Duitsland zich over.
Wat er na zijn dood met
zijn lichaam gebeurde is een mysterie. De meest plausibele verklaring is
echter de volgende. Na Hitlers dood gaf Goebbels opdracht de lijken te
verbranden. Haastig werden de lijken met benzine overgoten en in brand
gestoken. Goebbels verdween vrij snel om met zijn gezin zelfmoord te plegen,
en ook de aanwezige soldaten hadden haast aangezien de Russische granaten
her en der neerregenden. Hierdoor verbrandde het lichaam niet volledig.
Uiteindelijk zou het Rode Leger twee lichamen aantreffen, waarvan één 'waarschijnlijk
van Hitler' was. De NKVD
(de 79steSMERSH)
legde beslag op de lijken en liet ze naar Moskou
brengen. Onder geen voorwaarde mocht Hitler immers door Duitsers worden
gevonden en begraven: zijn graf zou een nazi-bedevaartsoord worden.
Uiteindelijk zouden de lijken alsnog in Moskou in het diepste geheim
verbrand zijn. Een niet verbrande kaak met bijbehorende brug is in Moskou
nog aanwezig en alleen voor wetenschappers toegankelijk.
Het
raadsel Hitler
Het blijft, ook voor de
grootste kenner, een groot raadsel hoe deze op het oog mislukte man, die 'halfbakken
kunstenaar en straatzwerver, dat korporaaltje' zoals president Paul
von Hindenburg hem denigrerend noemde toen hem in 1933 voorgesteld werd
om Hitler als kanselier te benoemen, een dergelijke macht over mensen heeft
kunnen krijgen en houden, hoe hij dit hele drama heeft kunnen ontketenen en
waarom hij dat niet alleen wilde, maar ook nog deed.
Talloze Hitlerverklaarders
hebben zich het hoofd gebroken over de mogelijke motivatie en psyche van de
man die deze onvoorstelbare visie niet alleen had, maar ook per se wilde
uitvoeren. Een scala aan meningen is het resultaat, onderzocht en op een
rij gezet door Ron Rosenbaum in zijn boek Waarom Hitler?. De
meningen variëren van 'Hitler was een toneelspeler, leugenaar, charlatan'
(Alan
Bullock) tot 'Hitler was een duivel, een monster' of 'Hitler was een
seksueel gefrustreerde psychopaat' (Norbert
Bromberg, Verna
Volz Small, Gertrud
Kurth), maar ook 'Hitler geloofde oprecht dat hij deed wat goed was' (H.R.
Trevor-Roper).
Een heel aparte visie
heeft de Duitse historicus Sebastian
Haffner. In zijn boek Kanttekeningen bij Hitler stelt Haffner de
vraag hoe een zo gering getalenteerd persoon en een zo armzalige
persoonlijkheid als Hitler zoveel macht kon verkrijgen. Hij is van oordeel
dat Hitler een hypnotiserend talent bezat, het talent van een
geconcentreerde wilskracht waarmee hij zich een collectief onderbewustzijn
- waar en wanneer zich dat manifesteerde- te allen tijde kon toe-eigenen.
Deze hypnotiserende invloed op de massa was Hitlers eerste, en lange tijd
enige, politieke kapitaal. Er bestaan talloze getuigenissen van de kracht
van dit talent. (Haffner, Kanttekeningen, p. 23). Tijdens zijn eerste
politieke rede op 24
februari 1920,
die een groot succes werd, werd Hitler zich dit talent bewust. Het zou een
verklaring kunnen zijn voor zijn greep op de massa en het staatsbestel in
de jaren daarna. Latere leden van de staf van officieren, die na de oorlog
geïnterviewd werden, spreken over de diabolische invloed die Hitler op
zijn generale staf uitoefende en waaraan niemand zich onttrekken kon.
Wat er ook van zij, na
zijn dood werd Hitler algemeen gezien als de incarnatie van het ultieme
kwaad.
De
artiest
Naast schilderen en
tekenen was ook gedichten schrijven een van zijn passies. Hieronder volgen
enkele voorbeelden geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog.
-
Blauweiss und
schwarzweissrot (Adolf Hitler)
-
Ringsum der feinde
heer,
-
zahllos wie sand am
meer
-
der Franzmann, Russ
und Britt,
-
die kleinen kläffer
mit.
-
Und wir-in heisser
schlacht
-
wir gehalten
fahnenwacht
-
getreu bis in den
tod
-
blauweiss und
schwarzweissrot
-
Millionen laufen
sturm,
-
und stürzen nich
den turm
-
sie schleppten
helfer her,
-
vom roten, gelben
meer.
-
Doch herrlich trotz
und stark,
-
die wacht an unserer
mark,
-
getreu bis in den
tod
-
blauweiss und
schwarzweissrot.
Adolf Hitler, 4 augustus
1917
De
schuldvraag
De uiteindelijke
schuldvraag is grondig onderzocht, maar daarover bestaan volgens Rosenbaum
veel verschillende meningen, van 'zonder Hitler geen Holocaust' (Lucy
Dawidowicz), tot 'het is de schuld van het christendom'
(Hyam
Maccoby), 'het is de schuld van de Duitsers' (Daniel
Goldhagen) en zelfs 'het is wellicht de schuld van de Joden zelf' (zonder
Joden geen Holocaust; George
Steiner). De Britse
historicus Ian
Kershaw, die een lijvige tweedelige biografie schreef, heeft Hitler
vooral in een historische context willen plaatsen; hij stelt dat Hitler
vooral zo veel macht kon vergaren doordat veel van zijn aanhangers bereid
waren hem 'tegemoet te komen'. Ook hebben velen voorzichtig of minder
voorzichtig met de vinger naar God
gewezen (Emil
Fackenheim, Yehuda
Bauer).
Het is duidelijk dat de
massamoord op miljoenen mensen niet zonder medeweten, en ook niet zonder
een initiatief van Adolf Hitler kon worden georganiseerd. Een schriftelijke
opdracht is echter niet teruggevonden. Hitlers naaste medewerkers (Himmler,
Goering, Kaltenbrunner en Frick) zouden een misdrijf van deze omvang, en
met een dergelijke logistieke complexiteit, niet zonder Hitlers duidelijke
aanwijzing hebben georganiseerd. De massale vergassing van de Europese
Joden past ook bij Hitlers op film bewaarde uitspraak in de Reichstag dat 'Een
nieuwe oorlog de ondergang van het Joodse ras in Europa zou zijn'.
Meningen die geheel van de
bovenstaande verschillen komen onder andere van Claude
Lanzmann, die vindt dat elke verklaring de enormiteit van Hitlers
schuld verdoezelt, en van Louis
Micheels, die zich afvraagt of de 'waarom'-vraag wel gesteld moet
worden. De meest afwijkende mening komt echter van David
Irving, die de omvang van de Holocaust relativeert en de betrokkenheid
van Hitler onbewezen acht en die dan ook een schare bewonderaars achter
zich kreeg uit zogenaamde 'revisionistische'
neonazistische
en andere extreem
rechtse kringen.
Door zelfmoord te plegen
wist Hitler zich te onttrekken aan strafvervolging, zodat zijn
verantwoordelijkheid voor en betrokkenheid bij de Holocaust nooit aan een
rechterlijk onderzoek zijn onderworpen en dat daarover nooit een
rechterlijk oordeel is geveld. Hitler draagt, als leider van het Derde Rijk,
de volle verantwoordelijkheid voor de misdaden die in naam van het
nationaal-socialisme zijn.
|